Een portret van de familie van coöperatieve ondernemingen in België
In het boek Coöperatief ondernemen in België. Theorie en praktijk (Acco, december 2008), wordt een beeld geschetst van de coöperaties in België.
De kern van de familie wordt gevormd door de erkende coöperaties. Dit kerngezin bestaat anno 2008 uit 472 leden. Het is erg heterogeen samengesteld: de meerderheid is klein in termen van aantal leden en werknemers, maar enkelen zijn zeer groot. De grootste coöperaties zijn ook de oudste en zijn actief in de financiële sector en de farmaceutische distributie. De anderen vinden we terug in heel diverse activiteitensectoren. In Vlaanderen is dit vooral de dienstensector, in Wallonië de landbouwsector (met een groot aantal machinecoöperaties). Wat opvalt, is dat een aantal jonge coöperaties zich richten op marktniches die ontstaan zijn naar aanleiding van recent ontstane maatschappelijke behoeften en waarden zoals groene energie, duurzaam toerisme en eerlijke handel.
De survey bij de erkende coöperaties liet toe een aantal vooroordelen met betrekking tot coöperatief ondernemen te ontkrachten of minstens te nuanceren. Erkende coöperaties zijn geen artefacten uit een ver (19de eeuw) of nabij (mei '68) verleden. Het zijn hedendaagse ondernemingen met hedendaagse doelstellingen. Ze coöpereren niet louter omwille van fiscale of ideologische, maar in de eerste plaats omwille van economische redenen. Coöperaties zijn over het algemeen wel klein, maar de letterlijk grote uitzonderingen tonen aan dat dit niet noodzakelijk zo hoeft te zijn om goed te kunnen werken.
Wat de invulling van coöperatieve principes betreft, zijn alleen vrijwillig en open lidmaatschap en democratische besluitvorming vrij expliciet in de erkenningsvoorwaarden opgenomen. In de surveyresultaten zien we dat de economische participatie van de leden bij veel respondenten een belangrijke drijfveer blijkt te zijn. De invulling van het principe van onderwijs, vorming en informatieverstrekking blijkt echter pover te zijn. Wat coöperatie tussen coöperaties en aandacht voor de gemeenschap betreft, merken we een zeer gemengd beeld op. Het hebben van een erkenning is duidelijk geen voldoende voorwaarden om te kunnen spreken van een strikte invulling van de coöperatieve principes. Het is overigens ook geen noodzakelijke voorwaarde hiertoe. Daarom was er ook precies nood aan een verbreding van ons zicht op coöperatief ondernemen.
De verkenning van werkvormen die het coöperatief ondernemen in de praktijk omzetten, begon bij de vennootschap met sociaal oogmerk (VSO). Het VSO-statuut vertoont immers enkele overeenkomsten met de erkenningsvoorwaarden voor de Nationale Raad voor de Coöperatie en met de coöperatieve principes. Het uitgangspunt van de VSO is echter verschillend van dit van coöperatief ondernemen. Coöperatief ondernemen vindt in eerste instantie plaats om dienstverlening aan de leden van de economische organisatie te verzekeren. Het VSO-statuut is daarentegen in het leven geroepen als werkvorm voor dienstverlening aan de ruimere gemeenschap: socio-professionele inschakeling van de kansengroepen en andere sociale doelen die ledenbelangen overstijgen. Uit de focusgroep bleek duidelijk dat VSO's zich niet noodzakelijk beperken tot de juridische minimumvereisten, maar ook vaak aansluiting zoeken en vinden bij de principes van coöperatief ondernemen. In de praktijk is de familie-overeenkomst met coöperatief ondernemen groter dan in theoretisch en juridisch opzicht. Meer dan 70% van de VSO's zijn overigens coöperatieve vennootschappen, hoewel slechts een 15-tal VSO's een erkenning door de Nationale Raad voor de Coöperatie hebben.
Ondanks een sterke groei in de jongste jaren, meer bepaald in het segment van de dienstencheque-ondernemingen, blijft het VSO-statuut onbekend en onbemind. Het belang van erkenning door beleidsmakers en -uitvoerders in deze blijkt duidelijk uit de cijfers: vennootschappen met sociaal oogmerk komen we vooral tegen in Wallonië, waar het hebben van het VSO-statuut zelfs een verplichting is om als invoegbedrijf erkend te worden, daar waar het in Vlaanderen vaak enkel vzw's zijn die in aanmerking komen voor bepaalde erkenningen en subsidies binnen de sociale (inschakelings-)economie. Het belang van het informeren van startende ondernemers in de sociale (inschakelings-)economie over het statuut, wordt geïllustreerd door de vaststelling dat de meeste VSO's in de focusgroep dit statuut voordien niet in gedachten hadden, maar het hebben gekozen na hierover geïnformeerd te zijn door adviesbureaus, startcentra of hun notaris.
De exploratieve studie van niet-erkende coöperaties en ondernemingen die niet de coöperatieve rechtsvorm aangenomen hebben, toonde duidelijk aan dat het zicht op coöperatief ondernemen gerust verder uitgebreid mag worden. Deze categorieën van ondernemen blijken immers ook verwanten van de coöperatieve familie in hun middens te hebben die tal van coöperatieve principes in hun werking opnemen. Hoewel vrijwillige toetreding, het pro rata de transacties verdelen van surplussen, het beperken van dividenduitkeringen, maar zeker ook het beperken van stemrecht in beslissingsorganen principes zijn die niet als vanzelfsprekend beschouwd kunnen worden bij de meeste ondernemingen, blijkt deze familietak ook ondernemingen te bevatten die deze principes
in meerdere of mindere mate invullen. Het feit dat deze ondernemingen niet klassiek als "de echte coöperaties" (i.e. de erkende) beschouwd worden, voedt de stelling dat het discours van "echte" versus "valse" coöperaties duidelijk nuancering behoeft.
Anderzijds zijn er ook principes waarvan de toepassing in het ruimere bedrijfsleven ons sinds de opgang van het MVO-discours minder moet verbazen. Dit is vooral het geval bij de principes "aandacht voor de gemeenschap" en "onderwijs, vorming en informatieverstrekking", die de jongste jaren bij meer en meer bedrijven tot de normale bedrijfsvoering gerekend worden. Tegelijk hadden we bij de bespreking van het microprofiel van de erkende coöperaties gezien dat net de invulling van deze principes lang niet altijd als vanzelfsprekend kan worden beschouwd. Coöperaties staan met andere woorden voor de uitdaging om hun historische rol op dit vlak voortdurend opnieuw uit te vinden en hun trekkersrol in deze terug op te nemen. Het is maar op die manier dat coöperaties het "coöperatieve verschil" kunnen waarmaken en aantonen.
De voornaamste redenen waarom de ondervraagde niet-erkende coöperatieve vennootschappen geen erkenning hebben aangevraagd, zijn het feit dat de Nationale Raad voor de Coöperatie relatief onbekend blijkt te zijn, en dat er tal van onduidelijkheden heersen omtrent de vereisten en de voordelen van een erkenning. De voordelen zijn in hun huidige vorm bovendien niet voor elke onderneming even relevant. Ook het statuut van coöperatieve vennootschap is nog veel te weinig bekend en derhalve weinig bemind. Zowel binnen de bedrijfswereld, de sociale economie, de overheidsadministraties en de verschillende wetgevende organen in België blijven coöperaties nog al te vaak een blinde vlek. In het onderwijs wordt coöperatief ondernemen vaak niet of stiefmoederlijk behandeld.