Definitie sociale economie
VOSEC definitie van sociale economie
"De sociale economie bestaat uit een verscheidenheid van bedrijven en initiatieven die in hun doelstellingen de realisatie van bepaalde maatschappelijke meerwaarden vooropstellen en hierbij de volgende basisprincipes respecteren:
- voorrang van arbeid op kapitaal;
- democratische besluitvorming;
- maatschappelijke inbedding;
- transparantie;
- kwaliteit;
- duurzaamheid.
Bijzondere aandacht gaat ook naar de kwaliteit van de interne en externe relaties. Zij brengen goederen en diensten op de markt en zetten hun middelen economisch efficiënt in met de bedoeling continuïteit en rentabiliteit te verzekeren."
Om te kunnen uitmaken of een bedrijf of initiatief zich tot de sociale economie kan rekenen, werden een aantal waarden en voorwaarden geformuleerd.
Andere definities
In België bestaan er drie officiële definities van sociale economie naast elkaar. De oudste definitie is degene die in 1990 door de Waalse Raad voor de Sociale Economie (Conseil Wallon de l'Economie Sociale) werd aangenomen. Een tweede definitie, hierboven weergegeven, werd anno 1997 in de schoot van VOSEC (Vlaams Overleg Sociale Economie) geformuleerd door een dertigtal vertegenwoordigende organisaties van de sociale economie in Vlaanderen. En tenslotte vindt men ook een definitie van de sociale economie terug in het Samenwerkingsakkoord dat eind 2004 werd afgesloten tussen de federale overheid en de eenheden die in de gewesten en de gemeenschappen bevoegd zijn voor wat men de ‘meerwaardeneconomie' noemt. In dit samenwerkingsakkoord wordt de sociale economie omschreven als een van de twee pijlers van de meerwaardeneconomie, naast het maatschappelijk verantwoord ondernemen.
De drie voornoemde definities van sociale economie hebben een heel aantal punten gemeenschappelijk. Ten eerste zijn ze alle drie gebaseerd op de hypothese dat er zoiets bestaat als een derde sector. Die derde sector zou organisaties omvatten die niet tot de kapitalistische private sector noch tot de overheidssector behoren. Ten tweede combineren ze een opsomming van een aantal ethische principes met een juridisch-institutionele afbakening van de eenheden die a priori deel uitmaken van de sociale economie. Op enkele nuanceringen na vermelden ze alledrie quasi dezelfde principes en dezelfde juridische of institutionele vormen.
Volgens deze drie definities oefenen de organisaties in de sociale economie allemaal economische activiteiten uit. Ze onderscheiden zich echter van de kapitalistische privésector omdat ze winstmaximalisatie niet als voornaamste doel maar als een instrument zien om diensten te verlenen aan hun leden of de ruimere sociale gemeenschap en omdat ze democratisch beheer en duurzame ontwikkeling nastreven. Doordat ze autonoom beheerd worden, verschillen ze ook van de publieke sector.
Bron: e-note 4 coöperatief ondernemen.
Niet enkel inschakelingseconomie
Uit bovenstaande blijkt duidelijk dat sociale economie niet mag verengd worden tot het domein van de tewerkstelling van zogenaamde kansengroepen, ook de sociale inschakelingeconomie genoemd. Sociale economie situeert zich niet enkel op het gebied van tewerkstelling, maar ook op andere gebieden waar noch de staat (publieke sector) noch de markt (private sector) een antwoord op hebben.