Hoofdstuk 2. Omvang sociale economie in de EU
De sociale economie vertegenwoordigt op Europees niveau ongeveer 10% van het geheel van Europese ondernemingen (d.i. ongeveer 2 miljoen ondernemingen) en 6% van de totale werkgelegenheid op Europees niveau.
De definitie van Social Economy Europe vertrekt vanuit vier groepen: coöperaties, verenigingen, mutualiteiten (onderlinge maatschappijen) en stichtingen.
In de EU-25 waren in 2005 meer dan 240.000 coöperaties economisch actief. Ze zijn reeds lang gevestigd in elk domein van economische activiteit en zijn vooral prominent in de landbouw, financiële bemiddeling, detailhandel en huisvesting en als werknemerscoöperaties in de industriële, bouw- en dienstensectoren. Deze coöperaties bieden directe werkgelegenheid aan 3,7 miljoen mensen en hebben 143 miljoen leden.
De onderlinge maatschappijen op het gebied van gezondheid en sociaal welzijn bieden bijstand en dekken meer dan 120 miljoen mensen. De onderlinge verzekeringsmaatschappijen hebben een marktaandeel van 23,7 %.
In de EU-15 hadden verenigingen in 2002 één miljoen mensen in dienst en in de EU-25, in 2005, waren ze goed voor meer dan 4 % van het BNP en een lidmaatschap van 50 % van de burgers van de Europese Unie.
In het jaar 2000 had de EU-15 meer dan 75.000 stichtingen, die sinds 1980 een sterke groei kenden in de 25 lidstaten, waaronder de recente EU-leden in Centraal- en Oost- Europa. Er werken meer dan 5 miljoen voltijds equivalente vrijwilligers in de EU-25.
Naast haar kwantitatieve belang levert de sociale economie effectieve en innovatieve oplossingen op vele terreinen. Ze formuleert oplossingen voor nieuwe sociale problemen. Daarnaast heeft ze ook haar positie versterkt als een noodzakelijke instelling voor stabiele en duurzame economische groei, die diensten koppelt aan behoefte. Ze verhoogt de waarde van economische activiteiten die voldoen aan sociale behoeften. Ook zorgt zij voor een eerlijkere verdeling van inkomen en vermogen, herstel van onbalans in de arbeidsmarkt en, in het kort, verdieping en versterking van de economische democratie.