Historiek

Printervriendelijke versie

Sociale economie is in de samenleving geworteld

Al in 1973 schreef de econoom Dr .E.F. Schumacher de bestseller "Small is Beautiful" met als ondertitel: 'een economische studie waarbij mensen tellen'. Dit was een duidelijke reactie op de ongebreidelde 'the sky is the limit' economie van de sixties waar de mens niet meer centraal stond in het productieproces, maar het louter produceren op zich. Als we spreken over sociale economie, dan gaat het steeds over een economie waarin mensen tellen.

Sociale economie is per definitie een economie die in de samenleving staat en niet erboven. Sociale economie maakt deel uit van het maatschappelijk weefsel, meer nog, het is er mede de motor van. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de betekenis evolueerde doorheen de jaren parallel met de veranderende samenleving. Sociale economie kadert niet langer alleen in een Vlaamse of Belgische context. Benamingen en inhouden verschillen natuurlijk van land tot land, maar wereldwijd probeert men de huidige economie op een andere manier in te kleuren.

 

De pionierfase

Het recht op arbeid, de behoefte aan sociale bescherming en onvrede over de werking van de markt in de moderne industriële samenleving, staan aan de wieg van de sociale economie. Het principe van "zelfhulp' en de afwijzing van elke vorm van staatsinterventionisme lagen aan de basis van coöperatieve initiatieven die in de 19e eeuw werden ontwikkeld in de schoot van werknemers en boerenorganisaties, zoals kleine werkplaatsen, handelszaken en spaarkassen.

De 'laissez faire, laissez passer' economie die zich enkel liet sturen door de "onzichtbare hand" leidde tot een sociaal deficit. Daaruit ontsproten activiteiten van grote sociale bewegingen om een economische en sociale tegenmacht te ontwikkelen. De beschutte werkplaatsen ontstonden vanuit een andere bekommernis. Zij genoten de eerste wettelijke maatregelen na de tweede wereldoorlog. Toen werkte België, mede onder druk van internationale conventies, een 'revalidatie- en tewerkstellingsbeleid' uit, bestemd voor alle burgers met een handicap. In deze periode werd ook een wetsvoorstel ingediend tot de oprichting van beschutte werkplaatsen. Het duurde echter tot 2/4/1958 vooraleer een nationaal programma voor de tewerkstelling van personen met een handicap werd goedgekeurd. Op 16/4/1963 werd het Rijksfonds voor Sociale Reclassering van de Mindervaliden opgericht. Het KB van 5/7/1963 voorzag in de oprichting van beschutte werkplaatsen als tewerkstellingsmogelijkheid voor personen met een handicap. In dit besluit werden de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling vastgelegd.

In de jaren 70 bleken de publieke sector en de vrije markt er niet in te slagen een antwoord te vinden op een aantal zware maatschappelijke problemen. Daardoor kreeg ook de sociale economie weer een nieuw gelaat. Dit resulteerde, veelal vanuit de welzijnssector of het culturele veld, in verschillende vormen van zogenaamde leerwerkplaatsen en werklozeninitiatieven die later zouden resulteren in wat nu de sociale werkplaats noemt. Eind 1994 startte het experiment sociale werkplaatsen. Met dit experiment wilde men werkzoekenden in een beschermde werkomgeving laten werken. Het decreet van 14 juli 1998 gaf de sociale werkplaatsen een structurele onderbouw. In de beginjaren stelde men zich nog vragen over het al dan niet concurrentievervalsend karakter van deze gesubsidieerde werkplaatsen. Deze discussie staat nu minder op de voorgrond. Men aanvaardt nu dat de doelgroep die in de sociale werkplaatsen werkt niet te vergelijken is met de doorsnee laaggeschoolde werknemer. Bovendien werd het sociale werkplaatsen expliciet verboden middelen te hanteren die de marktprijs in het gedrang kunnen brengen. Ook tussen de sociale werkplaatsen onderling werd "de juiste marktprijs" een hot item. De sector zelf probeert stapsgewijs via onderlinge samenwerking belangrijke stappen te zetten. Dit geldt ook voor de sector van de beschutte werkplaatsen. Ook deze sector wordt op regelmatige tijdstippen geconfronteerd met het nodige wantrouwen aangaande concurrentiepositie.

 

Werken aan de professionalisering van de sector

Het meerwaardenbesluit (2000) gaf een sterke impuls aan de eerste professionaliseringsgolf van de sociale economie. Het charter van de meerwaardeneconomie bepaalt een aantal beginselen waar organisaties moeten naar streven om overheidsfinanciering te kunnen genieten. Tal van nieuwe instrumenten werden in het leven geroepen om reguliere bedrijven aan te zetten tot de creatie van maatschappelijke meerwaarden. Denk bijvoorbeeld aan de invoegbedrijven en invoegafdelingen, de adviesbureaus en regionale incubatiecentra en, voorlopig op experimentele basis, de activiteitencoöperatieven. Via het meerwaardedecreet werd een structurele brug gelegd naar de reguliere economie.

Dit meerwaardenbeleid werd mee ondersteund door het federale niveau via het samenwerkingsakkoord tussen de federale staat, de gewesten en de Duitstalige gemeenschap van 4 juli 2000. Via dit akkoord werden een aantal basisafspraken vastgelegd met betrekking tot de gezamenlijke inzet van middelen voor de sociale economie. In uitvoering van dit samenwerkingsakkoord werden experimenten opgezet in het kader van buurt- en nabijheiddiensten.

 

Invulling van nieuwe maatschappelijke noden

In het verleden stelden zowel de Hoge Raad voor Werkgelegenheid als de Europese Commissie vast dat er binnen de diensteneconomie nog een groot werkgelegenheidspotentieel aanwezig was. De dienstensector zit in de lift. Belangrijke stimuli voor deze groei zijn de verhoging van de levensstandaard en een ouder wordende bevolking. Daarenboven zorgt het groeiend aantal tweeverdieners, maar ook éénoudergezinnen, er voor dat de vraag naar persoonlijke diensten zoals kinderopvang, poetsen, tuinwerk,...toeneemt. Ook op het vlak van milieu en mobiliteit formuleert de samenleving een aantal behoeften.

 

Nieuwe fase: de emancipatiefase

Met de overgang van de beschutte werkplaatsen in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid van Welzijn naar de sector sociale economie, treedt er een nieuwe fase aan in de geschiedenis van de sociale economie. De pioniersfase is hiermee definitief achter de rug. Verdere groei van de sector vraagt om een herstructurering van het veld met een duidelijke beleidsmatige component eraan gekoppeld. Nieuwe wettelijke maatregelen dringen zich op om de werking beter te stroomlijnen. Zowel de sector als de overheid geven duidelijk prioriteit aan deze evolutie. Gezamenlijk overleg is heel belangrijk in deze fase.

De sector zelf zoekt naar een nieuw evenwicht binnen het gezamenlijk overlegorgaan VOSEC om in de relatie en communicatie met de buitenwereld vanuit een beter gestructureerde gezamenlijke aanpak te kunnen optreden. Uiteraard is dat overleg ook heel belangrijk voor interne doeleinden, niet in het minst in functie van de verdere professionalisering van de sector.

In beleidsbrief 2005 -2006 van minister Van Brempt is reeds een organogram verschenen dat de sector herleid tot drie grote subsectoren, nl. invoegbedrijven, maatwerk (beschutte werkplaatsen, sociale werkplaatsen en werking rond arbeidszorg) en de lokale diensteneconomie waarin de buurt-en nabijheidsdiensten actief zijn samen met alle lokale initiatieven. De ondersteuning, bestaande uit de startcentra, de adviesbureaus en de financiering zal eveneens in deze fase moeten herbronnen om de nieuwe uitdagingen in de komende jaren in goede banen te kunnen leiden.

De tendens is duidelijk: sociale economie groeit van een eerder gesloten, beschut circuit uit tot een volwaardig open kanaal dat mee beweegt op de arbeidsmarkt in functie van haar eigen kernopdrachten en als zodanig niet ondergeschikt is aan de reguliere economie. Maar om dit waar te maken dienen nog grote inspanningen te gebeuren op wettelijk, financieel, en structureel vlak. Erkenning en herkenning spelen ook een belangrijke rol. Sociale economie heeft dringend een eigen gezicht nodig, een eigen identiteit. Dit is noodzakelijk om breed maatschappelijk aanvaard te worden als aparte entiteit. In fete is die identiteit er al grotendeels, alleen moeten nog inspanningen gedaan worden om de communicatie te stroomlijnen en dicht genoeg bij de realiteit van het brede publiek te brengen. Het publiek heeft nu nog te weinig zicht en voeling, er is nog geen concrete band. Gevolg is dat de sector momenteel een grote onbekende is en dat hardnekkige vooroordelen blijven bestaan.

Een groot aantal uitdagingen spelen nu reeds of staan aan de deur te dringen:

  • Kan de sector vanuit haar maatschappelijke en ecologische meerwaarde haar pioniersfunctie blijven waarmaken?
  • Blijft de sector per definitie in alle geledingen op duurzame wijze actief?
  • Welke rol heeft de sociale economie in de stijgende aandacht van de bedrijfswereld voor MVO? Dialoog, wederzijdse bevruchting en complementariteit zijn hierbij sleutelwoorden.
  • Hoe zal de sector op professionele wijze de steeds grotere uitdagingen aangaan die op maatschappelijk vlak de komende jaren zullen wegen? Wat is het antwoord op de vergrijzing, het eindeloopbaandebat, het grotestedendebat (met oa de jeugdwerkloosheid, de versterking van het maatschappelijk weefsel en het inbreidingsvraagstuk), de mobiliteitsproblematiek, het diversiteitvraagstuk, de iCT-gap... Wat moet de sociale economie doen (en niet doen), waar moeten de accenten liggen en hoe wordt het aangepakt.
  • Is de sociale economie de 'toverdoos' voor het tewerkstellingsbeleid? Is dat de 'roeping' van de sector? Is er op termijn geen gevaar voor 'oververhitting'?

Deze vragen leven reeds in de sector en wijzen allen in de richting van verdere visievorming en beleidskeuzes die moeten gemaakt worden.