Decreet maatwerk in de steigers

  • 14/11/2011
Printervriendelijke versie

De Vlaamse sociale economie bestaat uit meer dan 800 ondernemingen die gebruik maken van een specifieke werkvorm om hun sociale én economische opdracht te realiseren. De grootste groep is actief als ‘beschutte werkplaats’ (tewerkstelling van gehandicapten) of als ‘sociale werkplaats’ (tewerkstelling van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt). Deze ondernemingen krijgen overheidssteun voor het (al dan niet permanent) tewerkstellen van personen uit kansengroepen. Een regulier bedrijf kan geen beroep doen op dergelijke financiering én het Europese beleid erkent deze vorm van staatssteun aan bedrijven niet. Daarom besloot de Vlaamse regering deze problemen aan te pakken en een nieuwe regeling uit te werken die niet langer vertrekt van subsidies voor instellingen, maar van maatregelen voor individuen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

 

Ondersteuning via WOP

De ontwikkeling van het maatwerkdecreet gaat terug tot 2009, toen de sociale partners en de Vlaamse regering een principeakkoord ondertekenden over ‘maatwerk’. De belangrijkste afspraken in deze nota waren het wegwerken van de verschillen in subsidiëring tussen de sociale en beschutte werkplaatsen, het ondersteunen van de doorstroom in en vanuit de sociale economie en het regelgevend kader in overeenstemming brengen met de Europese regelgeving, meer specifiek de algemene groepsvrijstellingsverordening en de Dienstenrichtlijn (zie Europese regelgeving).

Op basis van deze Europese regels en gekaderd in het bredere Vlaamse werkgelegenheidsbeleid, zijn in de conceptnota een aantal ondersteuningsmodules opgesteld die dus vertrekken vanuit het individu i.p.v. de onderneming:

  • Opleiding op de werkvloer;
  • Begeleiding op de werkvloer (omkadering);
  • Loonpremie (op basis van de afstand tot de arbeidsmarkt);
  • Aanpassing van de werkplek / arbeidsomgeving.

Het geheel van deze modules en de invulling ervan vormt het zogenaamde WerkOndersteuningsPakket (WOP). Mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt krijgen dus een ‘rugzak’ met subsidierechten op hun maat. Wie hen aanwerft, kan beroep doen op de inhoud van het rugzakje, of dat nu een ‘regulier’ bedrijf is dan wel een sociale-economieonderneming. De VDAB maakt hierbij een inschatting van de individuele noden, kijkt of er sprake is van een arbeidsbeperking en bepaalt het ondersteuningspakket dat nodig is om een duurzame inschakeling te realiseren.

Deze modules zijn onderling combineerbaar naargelang de individuele noden van de werknemer en hangen samen met de afstand tot arbeidsmarkt. Dat betekent concreet dat ze niet altijd allemaal of in dezelfde mate ingezet worden om een geslaagde inschakeling te realiseren. De VDAB geeft voor elk van deze 4 modules een advies dat bepaalt wat er in het WOP zal zitten.

 

Collectieve vs. individuele inschakeling

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘collectieve inschakeling’ (minstens 5 voltijds equivalent tewerkgestelde doelgroepwerknemers op dezelfde werkvloer) en ‘individuele inschakeling’. Het idee achter de collectieve inschakeling is een schaalgrootte die het mogelijk maakt om omkadering aan de organisatie toe te kennen in functie van de individuele begeleiding van doelgroepwerknemers gekoppeld aan een stuk gemeenschappelijk ontwikkelingstraject. De collectieve inschakeling is de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Sociale Economie en wordt in detail uitgewerkt in de voorliggende conceptnota.

Werkgevers die inschakeling voor één persoon of een kleinere groep doelgroepwerknemers (minder dan 5 op eenzelfde werkvloer) wensen te realiseren, zullen een beroep kunnen doen op modules van individuele inschakeling (bevoegdheid van de Vlaamse minister van Werk).

 

De rol van sociale economie?

Om een voldoende jobaanbod op maat te garanderen voor mensen met een WOP, is er consensus dat organisaties die inschakeling als hun kernactiviteit beschouwen, blijvend een passend aanbod op maat moeten kunnen bieden. De conceptnota voorziet daarom, naast de ondersteuning op maat van de werknemer, ook een luik organisatieondersteuning voor zogenaamde ‘maatwerkbedrijven’. Deze ondersteuning moet het mogelijk maken om de uitdagingen, eigen aan de collectieve inschakeling van de zwakste werknemers, op een kwalitatieve en professionele wijze aan te gaan. De tussenkomst is dus niet gericht op de ondersteuning van de normale bedrijfsvoering of de begeleiding zoals voorzien in de module ‘begeleiding op de werkvloer’, maar wel op het ondersteunen van hun sociale missie, de inschakeling van de zwaksten op de arbeidsmarkt. Er wordt een forfaitaire tussenkomst voorzien vanaf 20 doelgroepwerknemers. Maatwerkbedrijven staan in essentie open voor de personen die een invulling hebben van én de module loonpremie én de module begeleiding op de werkvloer.

Bedrijven die inschakeling niet als kernactiviteit beschouwen, maar wel kiezen om binnen de eigen reguliere activiteit collectief mensen met nood aan ondersteuning in te schakelen, kunnen maatwerkafdeling worden. Het verschil tussen maatwerkbedrijf en maatwerkafdeling zit voor alle duidelijkheid niet in de ondersteuning van doelgroepwerknemers of het werkondersteuningspakket in de rugzak. Wel zal dit bepalen of ze recht hebben op bijkomende organisatieondersteuning in functie van hun missie en kernactiviteit.

Kortom: in de toekomst zullen alle werkgevers de kans krijgen om met mensen uit de doelgroep aan de slag te gaan, zowel via individuele als collectieve inschakeling. De ondersteuning wordt gericht bepaald op basis en in functie van individuele noden. Door de koppeling van de ondersteuning aan de doelgroepwerknemer zijn er verschillende mogelijkheden voor organisaties om in het maatwerkverhaal te stappen. Zij kunnen dit doen door zelf een maatwerkafdeling of -bedrijf op te starten, door capaciteit van een maatwerkbedrijf in te sourcen of door een individuele inschakeling. Essentieel hierbij is dat elk individu de ondersteuning die hem/haar werd toegekend ook effectief krijgt. De werkgever van de doelgroepwerknemer is verantwoordelijk voor de kwalitatieve invulling van deze ondersteuning ongeacht de plaats van tewerkstelling.

 

Vervolg

Om dit concept waar te maken is samenwerking tussen de minister van Sociale Economie (Freya Van den Bossche, voor het onderdeel collectieve inschakeling) en de minister van Werk (Philippe Muyters, voor de individuele inschakeling) vereist. Er staat dus nog heel wat decretaal werk op de plank om het maatwerkconcept in hanteerbare regels om te zetten. De effectieve start van het decreet is voorzien op 1 januari 2014.