Europese ruimte voor een beleid sociale economie

  • 07/04/2009
Printervriendelijke versie

Leuven - Op 31 maart kwamen de Europese kopstukken van vijf Vlaamse partijen in Leuven samen voor een debat over de link tussen sociale economie en de Europese Unie. Aan tafel zaten Jean-Luc Dehaene (CD&V), Derk Jan Eppink (LDD), Annemie Neyts (Open-VLD), Bart Staes (Groen!) en Kathleen Van Brempt (sp.a). Moderator van dienst was Guy Tegenbos. Decaan van de faculteit Economie Luc Sels voorzag het gesprek van een korte inleiding.

Lodewijk De Witte, gouverneur van de provincie Vlaams Brabant en voorzitter van VOSEC, kaartte achteraf enkele bedreigingen aan binnen het Europese beleid, maar zag in de opmerkingen van het panel ook mogelijkheden voor de sector: “de periode waarin enkel werd gekeken naar korte-termijnwinst is voorbij. Door verstandig te investeren in de sociale economie kunnen we zorgen voor een perspectief op lange termijn. Niet alleen voor de groep van mensen die tewerkstelling nodig heeft, maar ook voor diensten die wij als maatschappij allemaal nodig hebben.”

 

Een sociaal Europa

Het Europese niveau is voor het grote publiek nog steeds het bestuursniveau waarover het minst gekend is. Het is dan ook geen slechte zaak om even op een rij te zetten hoe de verschillende partijen aankijken tegen een sociaal Europa, vond Guy Tegenbos.

Jean-Luc Dehaene: “Vanuit de CVP hebben wij mee aan de wieg gestaan van Europese integratie als essentieel gegeven voor vrede en stabiliteit, voor economische en sociale vooruitgang. Het zogenaamde Rijnlandmodel staat daarbij centraal. Dankzij een steeds verdergaande Europese integratie zijn we er goed in geslaagd dit model te handhaven en uit te breiden.”

Annemie Neyts: “Voor de Europese liberalen moet de E.U. een hoge graad van welvaart koppelen aan sociale bescherming. Wij zeggen: het Europees model is een combinatie van een geregelde markt, de eenheidsmunt, democratie, rechtsstaat, vrijheden én een hoge graad van sociale bescherming. Als liberalen hebben we daartoe bijgedragen. De Unie is veel socialer dan men soms laat uitschijnen. Denk aan de gelijke verloning van mannen en vrouwen, aan de minimumdrempels in de sociale bescherming.”

Kathleen Van Brempt: “Uiteraard is Europa onvoldoende sociaal. Voor sommige mensen is dat een regelrechte ramp. Europa is een sterke scheidsrechter op vlak van haar interne markt en dat heeft veel welvaart voortgebracht. In de gewone economische sectoren zijn de regels nu voor iedereen gelijk, maar we zijn daarin doorgeschoten. De liberalisering van het spoor heeft niets opgeleverd aan duurzaamheid of sociale dienstverlening naar de mensen. Ook in de sociale economie speelt Europa een slechte en foute rol. Men dicht de sector dezelfde rol toe als pakweg de textielindustrie, maar het gaat hier in Vlaanderen alleen al over 25.000 mensen die anders geen kans krijgen op de arbeidsmarkt. De Europese Commissie kijkt naar de markt met haar strakke economische regels, maar wat we nodig hebben is een ‘sociale dienst van algemeen economisch belang’.”

Bart Staes: “Europa heeft al veel gepresteerd, vooral in de jaren zeventig en tachtig. Ik denk aan alles wat bestaat aan wetgeving over veiligheid en gezondheid, aan de jonge werklozen die geholpen werden via het Europees Sociaal Fonds. Waar ik het moeilijker mee heb is dat de E.U. zeker sinds de jaren negentig eenzijdig gekozen heeft voor de interne markt en heeft nagelaten om daar het sociale aspect naast te zetten.”

Derk Jan Eppink: “Wij hebben nu nul zetels. Indien we verkozen raken, willen wij het liefst in een conservatieve, Eurorealistische fractie zetelen en de betutteling door de Unie tegengaan. Ik hoop op een ruk naar rechts. Het Parlement is op dit moment te links, te groen, te betuttelend. Als er een crisis aankomt heeft men het niet gezien, dan is men met klimaatverandering bezig. We moeten met twee benen op de grond staan en kijken wat er mogelijk is.”

 

Wat na de crisis?

Net als tijdens het Vlaamse verkiezingsdebat van een week eerder, waren de meeste panelleden het erover eens dat onze huidige, door winstmaximalisatie overheerste economie vervangen moet worden door een nieuw soort economie, gebaseerd op waarden en lange-termijnwinst.

Een eerste stap hierin zou kunnen zijn om het bankensysteem te herstellen en terug een verschil te maken tussen investeringsbanken en depositobanken. Dat onderscheid was oorspronkelijk ingevoerd na de crisis van de jaren twintig, maar is opnieuw verdwenen door steeds verdergaande maatregelen in de deregulering. Banken namen veel grotere risico's en creërden hefboomfondsen die wanneer het fout begon te lopen de hele bank mee naar beneden sleurden.

Bart Staes: “Maar deze crisis had ook andere oorzaken, bijvoorbeeld dat men nooit enige controle op financiële instellingen toestond, of boekhoudnormen heeft opgelegd die enkel het korte-termijnbelang in het oog hielden. (...) Naast de financiële crisis moeten we ook de ecologische en sociale crisis aanpakken. Door te investeren in de groene sector kunnen we veel banen scheppen.  Zo heeft Duitsland 200.000 jobs gecreëerd in de windenergie, dankzij een enorme inbreng van de overheid. Vorige week werd een plan van de Europese groenen goedgekeurd om 500 miljard te investeren: goed voor vijf miljoen jobs.”

Annemie Neyts: “Ik voel mij niet aangesproken wanneer je dit de crisis van het kapitalisme noemt. Achteraf is het natuurlijk makkelijk: spelers van diverse pluimage hebben het altijd voelen aankomen, maar hebben nooit iets gezegd. Tot afgelopen zomer kwamen er zelfs in de financiële katernen van de kwaliteitskranten nauwelijks stemmen op over de waanzin die aan de gang was. 50% return on investment was toch de regel? Het korte-termijndenken kreeg voorrang op het lange-termijndenken, en daarvan zien we nu de gevolgen.”

Jean-Luc Dehaene: “Je zat inderdaad met een financieel systeem waarin korte-termijnwinst doorslaggevend was. Er werd niet nadacht over duurzaamheid. Greenspan zei letterlijk: "de huizenprijzen kunnen niet zakken". Als je daar je systeem op bouwt... Normaal gezien kijkt een bank of de lening die ze uitschrijft wel verantwoord is. Nu werden leningen doorverkocht en herverzekerd: niemand was nog verantwoordelijk. Het systeem is zot gedraaid. We mogen de markteconomie niet weggooien, maar we moeten wel regels maken en die afdwingen. Op sommige vlakken biedt Europa nu nog een onvoldoende antwoord, omdat omdat lidstaten vaak niet de stap durven zetten om meer bevoegdheden toe te laten. Toch zie ik een keerpunt: we leven vandaag in een globale wereld. De crisissen die we nu meemaken, beheersen de ganse wereld. We kunnen daar niet uitgeraken zonder wereldafspraken. We moeten in Europa tot een model  komen dat we daarna kunnen inbrengen op wereldvlak.”

Kathleen Van Brempt: “Ik maak me zorgen over jullie, de studenten die hier vandaag zitten. Misschien worden jullie de eerste generatie sinds lang die na haar diploma niet vlot een job kan vinden. Dit doet mij denken aan de jaren tachtig, het is alle hens aan dek. In de E.U. zullen volgens de voorspellingen zes miljoen jobs verloren gaan. De rechterzijde zal ons doen geloven dat we door de grote druk op de begroting de sociale bescherming moeten afbouwen. Daartegen zullen wij ons verzetten.”

 

Resolutie sociale economie

Op 19 februari keurde het Europees Parlement een resolutie goed over sociale economie, waarmee het Parlement het belang van de sector erkent in het kader van haar Lissabon-strategie. Toch biedt deze resolutie niet automatisch de ondersteuning die nodig is voor een leefbare sociale economie.

Annemie Neyts: “Onze fractie heeft de resolutie goedgekeurd. Als je kijkt naar de cijfers in het VOSEC memorandum, 20 miljoen mensen, dat is een belangrijk element. Ik stel me alleen vragen bij de sociale economie als alternatief voor de reguliere economie. Ik zie de sector als een mooi complement, dat samen met de reguliere economie kan passen in een groter geheel.”

Jean-Luc Dehaene: “Er was overigens een zeer ruime meerderheid in het Europees Parlement. Maar de sociale economie is een gevarieerde sector die in verschillende landen verschillende vormen heeft aangenomen. Een uniforme basis creëeren op Europees vlak is heel moeilijk. Een uniform juridisch statuut opstellen is voor mij dan ook niet de eerste prioriteit, wel het situeren van de sector binnen de economie. In hoeverre willen we de wetten van de interne markt toepassen? Hoe zit het met subsidies? Waar is de sociale economie concurrentieel met andere sectoren?”

Derk Jan Eppink: “De definities zijn inderdaad zeer verschillend. Ik denk niet dat ik de resolutie zou hebben goedgekeurd: ik zie er de meerwaarde niet van in. Europa moet zich bezig houden met haar kerntaken: de markt, de euro, transport, energie, migratie, buitenlands beleid. We hebben geen nood aan een gemeenschappelijk sociaal beleid. Het sociaal beleid moet bij de lidstaten liggen, die dan ook moeten zorgen dat ze de overheidsfinanciën hebben daarvoor.”

Kathleen Van Brempt: “Natuurlijk heeft de Europese Unie te maken met sociale economie: ze schrijft regels uit die op de sociale economie van toepassing zijn. Het recht op arbeid, bijvoorbeeld, is voor ons zeer belangrijk. Bedrijven uit de sociale economie moeten niet onderhevig zijn aan de gewone regels. Hun werknemers hebben niet dezelfde productiviteit als reguliere werknemers, maar toch is het veel zinvoller om hen in te schakelen dan om hen gewoon thuis te laten zitten. Op die manier hebben we de afgelopen jaren meer dan 6.000 jobs gecreëerd – maatschappelijk heel zinvol. Als Europa nu zegt dat we deze bedrijven niet meer niet mogen subsidiëren, kunnen zij niet blijven bestaan. Daarom is de resolutie zo belangrijk.”

Guy Tegenbos: “Dit is echter niet voorzien in Bolkenstein zoals die nu voorligt.”

Annemie Neyts: “De richtlijn van Bolkenstein is het Europees Parlement binnengekomen als een paard en is buitengegaan als een kameel. Ze is veel minder radicaal dan ze oorspronkelijk was bedoeld, eigenlijk beoogde Bolkenstein een shockeffect. Het Parlement heeft echter afgesproken om niet langer alle soorten diensten daarin onder te brengen.”

Jean-Luc Dehaene: “Het was fout om te denken dat we met één resolutie alles konden regelen. Wanneer we de sociale economie als een eigen sector willen erkennen, belanden we opnieuw in dezelfde discussie: hoe definieer je sociale economie? Het is niet omdat je een coöperatie bent dat je andere regels moet volgen. Inschakelingsbedrijven zijn dan weer een totaal ander geval. Ik pleit eerder voor uitzonderingen in de toepassing van de algemene regels, maar ik hoop wel dat we de inschakelingsbedrijven verder kansen blijven geven.”

Bart Staes: “Dit is een mooi staaltje dubbelspraak van de christendemocratie. Wat vraagt de resolutie? Een erkenning van de sector, mét specifieke afspraken op vlak van de mededingings¬regels. Dat is een goede keuze, maar in de vorige tussenkomst hoor ik dit allemaal nuanceren. Ik wil een erkenning van de sociale economie. Een sociale economie voor kwetsbare bevolkingsgroepen, die bloeit en die iets bijbrengt aan de economie. Op dit moment maken we het de sector bijzonder moeilijk.”

Het wordt duidelijk dat alle panelleden wel blijvende aandacht vragen voor de sociale economie, maar dat een erkenning voor de sector er niet meteen zal komen. CD&V, Open-VLD en LDD zijn bang om te verzinken in een discussie over de definitie van ‘sociale economie’ die de werking op het veld vertraagt.

 

Publiek

Sommige toeschouwers bleven wat op hun honger zitten. Er wordt veel gesproken over plannen op de lange termijn, maar ondertussen zien de trajectbegeleiders de kansen op werk wel steeds meer slinken. Wat is de visie van het panel om vandáág te investeren in sociale economie?

Derk Jan Eppink: “We moeten in de eerste plaats onze economie weer op gang krijgen door te investeren in innovatie en technologie. Sociale werkplaatsen zijn belangrijk, maar eerst en vooral moet er een gezonde economische basis zijn.”

Jean-Luc Dehaene: “U heeft een Europees debat gevolgd. De mogelijkheden voor de sociale economie zijn veel meer afhankelijk van lokale overheden en krijgen ook veel aanmoediging van de Vlaamse Gemeenschap. In Vilvoorde had ik Europa niet nodig om een sector te creëren. Zulke initiatieven zijn in deze crisisperiode meer dan ooit nodig, maar dit is geen impuls die je moet verwachten van Europa. Dit moet worden gestimuleerd op lokaal vlak.”

Eén cijferaar in het publiek wierp een interessante vaststelling op: de subsidies voor een voltijdse werknemer in de sociale economie komen neer op 10.000 euro per jaar. Een werkloze met een uitkering kost de overheid gemiddeld 13.000 euro per jaar. Waarom worden er dan niet veel meer maatregelen genomen in de sociale economie?

Annemie Neyts: “Ik veronderstel dat het niet in alle gevallen over dezelfde mensen gaat. Sociale economie-ondernemingen zijn er voor specifieke groepen van moeilijk tewerk te stellen werklozen, terwijl werkloosheid om het even wie kan treffen. We kunnen dus niet zomaar zeggen dat we élke werkzoekende een job geven in de sociale economie. Dat zou voorbij gaan aan de bijzondere kenmerken van deze bedrijven.”

 

Bedreigingen en mogelijkheden

Na het debat mocht Lodewijk De Witte, voorzitter van VOSEC, de avond afsluiten. Hij kaartte enkele bedreigingen aan binnen het Europese beleid, maar zag in de opmerkingen van het panel ook mogelijkheden voor de sector.

Lodewijk De Witte: “U kent mij misschien als gouverneur van deze provincie, maar vandaag sta ik voor u als voorzitter van VOSEC. Een functie die ik met veel plezier heb aanvaard. De sector sociale economie staat voor 30.000 werknemers, en nog eens zoveel klanten en diensten.

Decaan Luc Sels zei in zijn inleiding al dat inschakeling een onmisbare pijler is binnen de sociale economie, maar de sector heeft daarnaast ook andere doelen. Voor mij blijft het belangrijkste dat de sociale economie voorziet in maatschappelijk erg noodzakelijke diensten die door de reguliere economie niet meer opgepikt worden.

Ik zie drie bedreigingen voor de sociale economie. Ten eerste moet Europa ruimte creëren voor de sector, niet betuttelend optreden. De Dienstenrichtlijn brengt dat in gevaar. Een deel van de subsisides voor inschakeling wordt onmogelijk gemaakt door de interne regels rond mededinging.

Een tweede bedreiging is, zoals gezegd, dat we de sociale economie enkel gaan beschouwen als instrument voor arbeidsinschakeling. De laatste bedreiging sluit hierop aan: we mogen inschakeling niet louter individueel bekijken. Inschakeling werkt niet voor om het even welke werknemer in om even welk bedrijf. Een geslaagd invoegproces vertrekt vanuit de bedrijven en kan alleen slagen wanneer we de sector verder uitbouwen.

Aan de andere kant ben ik blij dat er weer naar de toekomst wordt gekeken. De dominante periode waarin enkel werd gekeken naar korte-termijnwinst is voorbij. Door verstandig te investeren in de sociale economie kunnen we zorgen voor een perspectief op lange termijn. Niet alleen voor die groep van mensen die tewerkstelling nodig heeft, maar ook voor diensten die wij als maatschappij allemaal nodig hebben.

Hopelijk wil het Europees Parlement daarmee doorzetten, een dialoog met de Commissie aangaan, een beleid ontwikkelen dat ons, binnen de lidstaten, binnen Vlaanderen, de ruimte geeft om ons eigen beleid rond sociale economie te voeren.”