Meer waardig werk als middel in strijd tegen armoede

  • 07/10/2010
Printervriendelijke versie

Op 7 oktober vindt voor de derde keer de Werelddag voor Waardig Werk plaats. Naar aanleiding van deze dag pleit het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (verder: het Steunpunt) voor meer kwaliteitsvolle banen omdat deze een belangrijke hefboom vormen om duurzaam uit armoede te raken.

In 1999 lanceerde de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) de 'Decent Work' of 'Waardig Werk'-Agenda. Het initiatief is gebaseerd op vier strategische doelstellingen: meer respect voor de internationale arbeidsrechten en -normen, bevorderen van de tewerkstelling- en inkomenskansen voor zowel mannen als vrouwen, uitbreiden van de sociale bescherming, en het promoten van de sociale dialoog. Als motor voor sociaal-economische ontwikkeling en instrument om de armoede uit te roeien is waardig werk cruciaal. Sinds 2007 is 'Waardig Werk' opgenomen in de Milleniumdoelstellingen van de Verenigde Naties. Daarmee wordt erkend dat het een concreet middel is om de armoede en ongelijkheid in de wereld terug te dringen.

Voor het Steunpunt is de invulling van waardig werk door de IAO een bouwsteen voor een meer ambitieuze definitie van kwaliteitsvol werk: "Een kwaliteitsvolle job is werk met gunstige arbeidsvoorwaarden dat perspectieven biedt en toelaat om de levensomstandigheden te verbeteren", verduidelijkt Henk Termote, medewerker van het Steunpunt. De kwaliteit van de arbeid verwijst naar de arbeidsvoorwaarden (de hoogte van het loon, de werkzekerheid, de sociale prestaties waartoe de job aanleiding heeft, de arbeidstijdregeling, de gezondheidsrisico's, de doorstromingskansen...). "Het bevorderen van gunstige arbeidsvoorwaarden is hierbij essentieel, aangezien een job slechts toelaat om duurzaam uit armoede te ontsnappen, indien het om een kwaliteitsvolle job gaat", zegt Termote.

Ongunstige arbeidsvoorwaarden
Onder invloed van de tendens tot flexibilisering van de arbeidscontracten en de arbeidstijd kent België de laatste decennia een neerwaartse evolutie op het vlak van de arbeidsvoorwaarden. Dit verslechtert in de eerste plaats de situatie van diegenen die al weinig tewerkstellingskansen hebben; vaak komen zij in een vicieuze cirkel van laagbetaalde, ondergewaardeerde jobs met kortdurige en/of kleine deeltijdse contracten terecht, afgewisseld met periodes van werkloosheid (onder statuut van werkloze, leefloongerechtigde...). Zo kunnen ze evenmin volwaardige socialezekerheidsrechten opbouwen. Het gebrekkig en gefragmenteerd inkomen uit arbeid dat ze opbouwen, brengt ook nadelige gevolgen op andere levensdomeinen met zich mee: de toegang tot of het behoud van een huur- of eigen woning komt in het gedrang, de betaling van energie, school- en gezondheidszorgfacturen wordt problematisch...

Working poor in België
Het aantal werkenden met een armoederisico ('working poor') kan niet losgekoppeld worden van deze nadelige arbeidsmarktevolutie. Hoewel België in vergelijking met de rest van de EU vrij goed scoort op dit vlak en voorzichtigheid bij de interpretatie geboden is, is de toename van de laatste jaren toch opvallend. Terwijl in 2006 dit cijfer nog 4,2% bedroeg, is dit in 2008 (het jaar met de laatste beschikbare egevens, gestegen tot 4,8%). In absolute cijfers gaat het hier toch om een stijging van ongeveer 180.000 tot 220.000 personen. Het feit dat tewerkstelling minder dan vroeger bescherming tegen armoede biedt, wordt nog beter geïllustreerd door de evolutie van het aandeel personen met een armoederisico dat een job heeft. Berekend op de bevolking tussen 18 en 65 jaar, bedraagt deze groep nu 24,6% in 2008 tegenover 20,6% in 2006. Het betreft cijfers voor het uitbreken van de crisis; het valt dus te verwachten dat deze stijging zich de twee voorbije jaren nog heeft doorgezet.

Van werkloze naar (werkende) arme
De gewestelijke diensten (VDAB, Actiris, Forem en Arbeitsambt) volgen al enige tijd het spoor van trajecten op maat voor werklozen die rekening houden met het bredere welzijn. Maar de logica van 'iedereen-snel-aan-het-werk', de nog altijd heersende tendens binnen het activeringsbeleid, staat haaks op deze benadering. In België is dit beleid in 2004 versterkt door de systematische overdracht van gegevens van werklozen door de gewestelijke diensten naar de RVA en door een systematische controle op het zoekgedrag van langduriger werklozen door
de RVA.

Het resultaat van deze aanpak roept vragen op in termen van zowel armoedebestrijding als duurzame arbeidsmarktparticipatie. Het zijn in de eerste plaats de meest kwetsbaren die hun werkloosheidsuitkeringen geschorst zien. Dit betekent niet dat hun werkonwilligheid groter is, maar wel dat de controleprocedures nauwelijks rekening houden met de nefaste impact van armoede op de mogelijkheid om werk te zoeken, waardoor hun gedrag als werkonwilligheid wordt geïnterpreteerd. Uit onderzoek1 blijkt dat een groot deel - in absolute aantallen - van de gesanctioneerden zich nadien wendt tot het OCMW. Bijna 1 op 5 verdwijnt van de arbeidsmarkt, wat uiteraard problematisch is voor een beleid dat de tewerkstelling wil bevorderen. Een ander deel komt terecht in precaire, niet-kwaliteitsvolle jobs.

Het huidige controlebeleid op werklozen lijkt dus bij te dragen tot de toename van het aantal werkende armen. "Er is dus nood aan een breed maatschappelijk debat om te komen tot een evenwichtiger activeringsbeleid", besluit Termote.

Meer info