Hoe werkt opbouwwerk aan arbeid?
Uit: TerZake, praktijkblad over lokaal beleid, inspraak en smenlevingsopbouw. November 2008.
Het ligt niet voor de hand dat het opbouwwerk stappen zet om organisaties of zelfs bedrijfjes op te starten en om economische activiteiten te ontwikkelen. Dat heeft alles te maken met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, waar ondanks tal van overheidsmaatregelen een omvangrijke werkloosheid blijft bestaan. Wie geen werk heeft, belandt vaak ook sociaal in een isolement. Vermits het opbouwwerk zich in de eerste plaats bekommert om kwetsbare doelgroepen, is het logisch dat het projecten ging ontwikkelen als reactie hierop.
De activiteiten van het opbouwwerk rond arbeid kunnen we vanaf de helft van de jaren tachtig onderverdelen in 4 hoofdtypes: werklozenwerkingen, opleidingsprojecten, tewerkstellingsprojecten en tot slot buurtdiensten.
Werklozenwerkingen
Op het einde van de jaren zeventig zagen allerlei werklozenwerkingen het licht. Ze waren gericht op vorming, ontmoeting en (re)activering van de werklozen. Via een vormingsaanbod werd getracht hun zelfvertrouwen en weerbaarheid te verhogen en hun algemene kansen te verbeteren door hen bepaalde vaardigheden aan te leren.
Opleidingsprojecten
Binnen de opbouwwerkprojecten groeide het besef dat er een speciale aanpak nodig was voor de langdurig werklozen. De nadruk kwam te liggen op doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt of naar arbeidsgerichte opleidingen. Daartoe werden voor deze werklozen opleidingsprojecten georganiseerd met veel aandacht voor individuele begeleiding.
Tewerkstellingsprojecten en sociale werkplaatsen
Maar de harde kern van langdurig werklozen kreeg zelfs via opleiding niet zo maar toegang tot de reguliere arbeidsmarkt. Om hen aan de slag te krijgen, werden tewerkstellingsprojecten opgericht in kleine productiecentra. Daar kan de doelgroep op eigen tempo en onder begeleiding werken. Deze projecten profileren zich als kleinschalige bedrijfjes, waarbij niet de winst maar de tewerkstelling van risicogroepen op de eerste plaats komt. In 1998 kregen de sociale werkplaatsen een wettelijke inbedding, waardoor de werkgever permanent een loonsubsidie krijgt voor deelnemers.
Buurteconomie en buurtdiensten
Ondertussen groeide de aandacht voor de uitbouw van een diensteneconomie, onder andere als antwoord op het groeiende tijdsgebrek van tweeverdieners. Heel wat van de dienstenjobs situeren zich op buurt- en wijkniveau, en daar had het opbouwwerk reeds rond buurteconomie gewerkt. Met de oprichting van een platform in 2003 kwam de sector tot een definitie buurt- en nabijheidsdiensten : het gaat om een dienstverlening voor maatschappelijk behoeftigen die door de klassieke dienstverlening onvoldoende ingevuld wordt, die op een duurzame wijze tewerkstelling creëert voor kansengroepen en waarbij de participatie van zowel werknemers als gebruikers centraal staat.
Door: D. Geldof en A. Stevens, "Hoe werkt opbouwwerk aan werk", in L. Verbeke (red), Handboek Samenlevingsopbouw in Vlaanderen, Brugge, die Keure, 2003, p. 233-253.